Grondstoffen
De grondstoffen kunnen in een aantal groepen verdeeld worden volgens het onderstaande schema:

Natuurlijke vezels:
plantaardig: katoen, vlas (linnen), jute
dierlijk: wol, zijde

Kunstmatige vezels:
op natuurlijke basis: viscose, acetaat
op synthetische basis: polyamide, polyester, polyacryl, elasthaan

De opsomming in het schema is zeker niet uitputtend. Vooral in de groep kunstmatige vezels op synthetische basis bestaan nog veel meer soorten.

Stoffen op basis van structuur
Acetaat: kunstmatige vezel, voor het eerst ontwikkeld in 1924. De cellulose wordt behandeld met aceton. Het is een erg elastische vezel die weinig vocht opneemt, en snel droogt. De vezel smelt bij heet strijken. Vindt een toepassing in badkleding
Ajourstoffen
: stof met ingeweven kleine openingen. De gaatjes zijn regelmatig verdeeld en/of in een bepaald patroon gerangschikt.
Ausbrenner: dunne stof geweven in platbinding, stof is gemaakt van verschillende grondstoffen. Door bedrukking met een oplosmiddel wordt plaatselijk één van de gronstoffen verwijderd. De stof is op de hierdoor op bepaalde plaatsen transparant.
Argyle-ruit: oorspronkelijk een breisel met schuine ruit, doorsneden met lijnen, waarbij de verschillende kleuren aan de achterkant gewisseld worden en niet over de breedte van het breisel zijn mee gebreid.
Bamboe: natuurlijk vezel, afkomstig van de bamboeplant, is sterk en blijft lang mooi, neemt veel vocht op, houdt de huid koel
Batist: een heel dunne, fijne linnen of katoen
Bremsilk: duurdere, soepele kwaliteitsvoering.
Borg(tricot): veelal gebreide poolstof met zachte bobbelige bovenkant van geruwde lontgarens.
Boordstof/Ribbeltricot: breisel waarbij afwisselend naast elkaar één of meer rijen rechte steken en averechte steken zijn gebreid. Het breisel is aan beide gelijk en is in de breedte zeer elastisch. Wordt om zijn elasticiteit veel gebruikt voor boorden, randen en manchetten bij truien en sweaters.
Changeant: stof geweven in platbinding met verschillende, vaak contrasterend gekleurde ketting- en inslaggarens, bij beweging veranderd de kleur van de stof.
Crêpe: verzamelnaam voor allerlei soorten weefsels die door de binding, het gebruikte garen of de afwerking voor een korrelig onregelmatig uiterlijk zorgen.
Chambray: katoenen weefsel in platbinding. Heeft een blauw geverfde ketting en een witte inslag draad.
Chenille: stoffen waarvan de inslag bestaat uit chenille-garen. Het uiterlijk is aan beide zijden van de stof fluweelachtig.
Gestepte of gewatteerde stof: bestaat uit één of twee stoffen, waartussen of waaronder een wattenlaag ligt. Om verschuiven te voorkomen wordt het geheel doorgestikt.
Gabardine: dicht weefsel in steil-keperbinding, meestal van dunne wollen kamgarens met een steil diagonaal verlopend lijnenpatroon.
Gecoate stof: weefsels die waterafstotend worden gemaakt door een laag van een kunststoflaag van rubber, plastic of kunstharsen, of om een natuurlijk materiaal te imiteren.
Imitatie-leer: onderstof met daarop een coating of kunststoflaag van rubber of plastic, die geprint is in het dessin van een leersoort.
Imitatie-bont: dikke poolstof gebreid of geweven met vrij lange pool. De stof heeft een geruwde bobbelige, lusvormige of gesneden fluwelen bovenkant. Breisels zijn de meest toegepaste bontimitaties voor kleding. Weefsels worden veelal gebruikt als interieurstoffen (pluche).
Jersey: algemene benaming voor allerlei typen gebreide stoffen, gebruikt voor bovenkleding.
Joggingstof of donstricot: meestal katoenen breisel of katoenmenging met de rechte tricotkant aan de voorkant, de achterkant is opgeruwd en heeft een meegebreide inlegdraad. De stof wordt gebruikt voor sportkleding en sweatshirts.
Jacquard: stof met ingeweven dessins. Is als luxe weefsel met goud- en zilverdraden bekend onder de naam brokaat en met patronen in dezelfde kleur onder de naam damast.
Het begrip jacquard stamt van de Fransman Joseph Marie Jacquard (1752-1834), van huis uit zijdewever, die in 1805 de naar hem vernoemde jacquardmachine uitvond; een installatie op het weefgetouw die, door ponskaarten gestuurd, het opheffen en laten zakken van afzonderlijke kettingdraden automatiseerde. Op deze manier kan alleen door doelbewust overslaan van kettingdraden een levendig weefoppervlak worden gecreëerd. Bijna elk gewenst motief met een klein of groot rapport kan sindsdien worden gemaakt. Bij eenkleurige, uitsluitend door deze weeftechniek gedessineerde stoffen, bestaat het patroon uit licht en donker contrast. De stoffen glanzen als ze bewegen.
Kasjmiermotieven: de komma-vormige patronen die op de sjaals van kasjmierwol worden gebruikt.
Kamgaren: gemaakt van lange en middellange wol met weinig kroezing. Kamgarens zijn glad, gelijkmatig, sterk, maar minder warmte isolerend als kaardgaren
Kaardgaren: grof tot middelfijn, enigszins onregelmatig garen, op zodanige wijze vervaardigd dat ook de korte vezels in het garen blijven, strijkgaren; vgl : van dit materiaal gemaakt garen van lange en/of korte, grove of fijne, liefst sterk gekroesde wol; kan goed vermengd worden met korte vezels van katoen, rayonvezels, afvalwol, enz
Kreukstof: door kalanderen (persen) met reliëfwalsen aangebrachte plooitjes in de stof.
Lakleer of -doek: geweven of gebreide katoenen onderlaag, voorzien van een waterdichte, hoogglanzende plastic bovenlaag. Is niet tot matig ventilerend.
Nickyvelours/tricotvelours: gebreide stof met korte fluweelachtige pool, aan één kant geweven met lussen en later door scheren opengesneden. Geschikt voor sweaters en babykleding.
Nettricot: breisel met openingen. Door de goede ventilatie gebruikt voor de voering van sportkleding of zomerjassen.
Organza: stijf aanvoelende, zijden stof in platbinding geweven met een doorschijnend uiterlijk. Tegenwoordig meestal met polyester grondstof.
Oxford: stof die in platbinding lijkt geweven, met dunne kettinggarens en een grovere inslag. Kenmerkend is dat de kettingdraad is vervangen door twee fijnere kettingdraden.
Pongé: lichte voeringstof van acetaat geweven in platbinding. Oorspronkelijk van zijde.
Patchwork: stof ontstaan uit verschillend gekleurde meestal katoenen lapjes, die aan elkaar zijn genaaid.
Rubberdoek: gebreide of geweven stof, aan de boven- of onderkant voorzien van een waterdichte rubberlaag.
Ribfluweel/manchester: meestal katoenen poolweefsel, waarbij de ribbels in de lengte van de stof ontstaan na het doorsnijden van de lussen die gevormd worden door de extra inslagdraden. Ribfluweel kan ribbels hebben in zeer verschillende breedtes van fijn tot grof: babyroy, tinneroy, corduroy en manchester.
Ribfluweel heeft een vleug. Dit wil zeggen dat de kleine haartjes allemaal in één richting, in de lengte van de stof liggen. De richting van de vleug is bepalend voor de kleur van de stof. De stof moet van onder naar boven glad aanvoelen. In het kledingstuk is dan de diepste kleur zichtbaar.
Verwerking van stoffen met vleug
De patroondelen moeten allemaal in dezelfde richting op de stof worden gelegd om kleurverschil te voorkomen.
Satin duchess: zware, dichtgeweven gladde, glanzende satijn geweven in kettingsatijnbinding. Wordt gebruikt voor bruidskleding en voering.
Satijn: glanzend weefsel in satijn- of atlasbinding. Vervaardigd uit allerlei soorten vezels.
Satijnvoering: dichtgeweven zware voeringstof in kettingsatijnbinding van viscose, acetaat of natuurzijde, geglansd door persen.
Tule: van oorsprong een stof gemaakt uit met de hand geklost kant. Tegenwoordig wordt tule gemaakt op kettingbreimachines en heeft het honingraatvormige mazen.
Taft: dicht, glanzend, fijndradig, beetje stijf weefsel in platbinding van zijde, viscose of synthetische materialen.
Velours de panne: een gebreide stof met korte, in verschillende richtingen geplette pool.
Waterafstotende stof,:weefsels die door behandeling met speciale producten waterafstotend gemaakt worden. Bij producten op paraffine- basis, siliconen of sommige mengsels op kunstharsbasis zal de werking na reinigen geheel tot sterk verminderen. Door
impregnatie met een waterafstotend middel en voorzichtig wassen zullen de waterafstotende eigenschappen minder snel afnemen.
Zijdelinnen: imitatie-linnen geweven in platbinding met viscose slubgarens (garens met verdikkingen) in ketting en inslag.
Zandcrêpe: een licht weefsel in crêpe- of granietbinding met matte glans en zandig aanvoelend, wol of polyester. Zowel ketting als inslag van normaal gedraaide garens.