Benodigde hoeveelheid stof
De hoeveelheid stof die in naaibladen wordt aangegeven en de knipvoorbeelden zijn gebaseerd op de door het blad gebruikte stof. Je kunt het beste voordat je stof koopt eerst de patronen uitraderen en zelf een stofberekening maken op basis van verschillende breedtes stof. De hoeveelheid aan te schaffen stof kan ook erg variëren als je stof met een andere breedte of met grote patronen, ruiten of strepen, of stof met een vleug gebruikt.
Stofberekening kun je maken met behulp van een laken dubbelvouwt op de gewenste stofbreedte. Leg alle patroondelen op het laken en meet de hoeveel stof die je nodig hebt.

Knipvoorbeelden

A. De stof is in de lengte dubbelgevouwen en alle patroondelen liggen in 1 richting.
Deze stoflegging is voor ieder gewenst type stof te gebruiken. (foto 1)
Stoflegging 1
B. De stof is in de lengte dubbelgevouwen maar de zomen liggen niet in 1 richting.
Gebruik in dit geval geen stoffen met vleug of patroon met een bepaalde richting. (foto 2)
Stoflegging 2
C. De stofvouw aan beide lange kanten, dit is mogelijk door de stof zo te vouwen. Je bepaalt zelf hoeveel de stofkanten naar binnen geslagen dit hangt af van je patroondelen
Kan voor ieder gewenste stof als je de zomen 1 kant uit laat liggen, anders geldt hetzelfde als bij B.
(foto 3)
Stoflegging 3
D. De stof is in de breedte dubbelgevouwen.
Kan niet bij stoffen met vleug of patroon met een bepaalde richting.
(foto 4)
Stoflegging 4
E. Bij asymetrische modellen kun je de stof niet dubbelvouwen. Je knipt van enkele stof, daarbij ligt de goede kant van de stof boven. Belangrijk: is dat je patronen die twee keer geknipt moeten worden de tweede keer in spiegelbeeld neerlegt.

De draadrichting
De juiste draadrichting is heel belangrijk, hij is bepalend voor de valling van het kledingstuk. De draadrichting komt overeen met de kettingdraad (verticale weefseldraad) van de stof. Dit wil zeggen dat de patroondelen altijd zo op de stof gespeld moeten worden, dat de draadrichting die op het patroondeel aangegeven staat parallel aan de zelfkant loopt. Trek de aangegeven draadrichting door naar de onderkant van het patroondeel.
Speld het patroondeel eerst aan de bovenkant van de aangegeven draadrichting vast. Meet de afstand van draadrichting tot aan de zelfkant en speld dan het andere uiteinde op dezelfde afstand vast.
Bij een lange broeken kun je de draadrichting aangeven door de patroondelen in de lengte dubbel te vouwen, zodat de binnenbeennaad tot ongeveer kniehoogte precies op de zijnaad ligt. De vouw die daardoor ontstaat, is de exacte draadrichting.

Naden aanknippen
Naden die overal even breed zijn, maken het stikken makkelijker, de stiksels liggen dan precies op elkaar als de randen van de stof op elkaar liggen. Teken rondom de patroondelen de naden en de zomen met behulp van een centimeter en een kleermakerskrijtje op de stof.
Speld het patroon met veel spelden vast op de stof.
Bepaal hoeveel naadtoeslag je wilt hebben.

Krimpen van de stof
Stoffen die voor meer dan de helft uit katoen en/of linnen bestaan, kun je beter wassen voor het knippen. Een krimppercentage van 5% is normaal. Wollen stoffen kun je het beste eerst met stoom strijken. Dunne viscosetricots kunnen tot wel 10% krimpen.

Stoffen met vleug
Ribfluweel heeft een vleug. Dit wil zeggen dat de kleine haartjes allemaal in één richting, in de lengte van de stof liggen. De richting van de vleug is bepalend voor de kleur van de stof. De stof moet van onder naar boven glad aanvoelen. In het kledingstuk is dan de diepste kleur zichtbaar. De patroondelen moeten allemaal in dezelfde richting op de stof worden gelegd om kleurverschil te voorkomen.

Valling
Hoe wijder het model, hoe soepeler de stof moet zijn om een mooie valling te krijgen. Stoffen die soepel vallen zijn vaak stoffen waar viscose in zit. Stoffen met lycra en elasthan zijn vaak stugger en zijn meer geschikt voor strakke modellen.